(Titel)
Bankbiljetontwerp en collectief geheugen
(DATUM)
October 20, 2026
(AUTEUR)
Dings
(CATEGORIE)
Herkennen
Kustpad door de duinen richting vuurtoren Westerlicht bij Nieuw-Haamstede op Schouwen-Duiveland
(Intro)
Over hoe ontwerp een plek in ons collectieve geheugen brengt.
(Content)

Ik heb het biljet van 250 gulden maar één keer in mijn handen gehad.

Het was geld dat ik met mijn krantenwijk had verdiend en ik stond op het punt het vrijwel meteen weer uit te geven. Samen met mijn vader ging ik een nieuwe stereo kopen. Een behoorlijk dure. Van die stereo herinner ik me vooral het geluid. Van het geld het beeld. Paars, roze, blauw en geel. Een vuurtoren die dwars over het biljet stond, alsof je het briefje eerst moest draaien om haar goed te bekijken. Ik vond het toen al het mooiste geld dat Nederland ooit had gemaakt. Wat ik niet wist: die vuurtoren kende ik ook.

Ik kom sinds 1986 op Schouwen-Duiveland. Mijn ouders hadden goede vrienden in Zierikzee en sindsdien ben ik het eiland blijven bezoeken. Voor de ruimte, de historie en het landschap dat met het weer en het licht voortdurend van karakter verandert. Nu ben ik hier opnieuw. Op vakantie met mijn eigen gezin.

In de duinen bij Nieuw-Haamstede staat vuurtoren Wester-Schouwen, beter bekend als Westerlicht. Rood-wit, van grote afstand herkenbaar en met een brede spiraal die zich om de toren heen omhoog draait. Bijna te grafisch om toevallig te lijken. Ik kende de vuurtoren. Ik kende het biljet. Alleen had ik nooit begrepen dat ze bij elkaar hoorden.

Dat vind ik achteraf misschien nog wel het merkwaardigste. Twee beelden kunnen jarenlang naast elkaar in je geheugen bestaan zonder elkaar ooit te raken. Totdat je iets leest, beter kijkt en ineens een verband ziet dat er al die tijd al was. In mijn geval gebeurde dat op hetzelfde eiland waar ik bijna mijn hele leven kom.

De vuurtoren werd in de negentiende eeuw gebouwd om schepen voor de kust van Schouwen de weg te wijzen. Veel later kreeg ze een tweede leven. Niet als bouwwerk, maar als beeld. Ontwerper Ootje Oxenaar gebruikte Westerlicht als uitgangspunt voor het biljet van 250 gulden, dat in 1986 in omloop kwam. Precies het jaar waarin ik voor het eerst op Schouwen-Duiveland kwam. Dat wist ik toen natuurlijk allemaal niet. Ik zag als kind een vuurtoren in de duinen en jaren later een vuurtoren op een uitzonderlijk bankbiljet. De verbinding ontstond pas veel later. Oxenaar kopieerde de toren niet. Hij vertaalde haar.

De echte vuurtoren is rood en wit. Op het biljet werd ze onderdeel van een wereld van paars, roze, blauw, geel, lijnen, rasters en transparante vormen. De toren stond dwars op het geld. Zelfs de manier waarop je het biljet vasthield werd onderdeel van het ontwerp. En juist daardoor werd het meer dan een afbeelding van een plek.

Een vuurtoren geeft richting. Ze waarschuwt, blijft zichtbaar en biedt houvast wanneer de omgeving onoverzichtelijk wordt. Eigenschappen die opvallend goed passen bij iets dat volledig draait om vertrouwen. Een bankbiljet is uiteindelijk bedrukt papier. De waarde ontstaat doordat we er gezamenlijk betekenis aan toekennen. Oxenaar gebruikte dus niet alleen de vorm van Westerlicht. Hij gebruikte ook iets van haar karakter.

Dat verschil vind ik interessant. Sterk ontwerp neemt niet simpelweg over wat zichtbaar is. Het onderzoekt wat iets herkenbaar maakt en welke eigenschappen overeind moeten blijven wanneer de vorm verandert. Juist doordat Oxenaar Westerlicht niet letterlijk afbeeldde, kon de vuurtoren iets groters worden dan een herkenningspunt op Schouwen-Duiveland. Ze kwam in portemonnees, kassalades, enveloppen en kluizen terecht. Waarschijnlijk wist een groot deel van Nederland niet eens welke vuurtoren model had gestaan. Toch kende bijna iedereen het beeld.

Het landschap bleef in Zeeland. Het beeld ging het hele land door.

En onderweg kreeg datzelfde ontwerp telkens een andere betekenis. Voor de één hoorde het biljet bij een salaris. Voor een ander bij een vakantie, een grote aankoop of geld dat jarenlang zorgvuldig werd bewaard. Voor mij hoort het bij mijn krantenwijk, mijn vader én die nieuwe stereo. De nominale waarde was voor iedereen hetzelfde: 250 gulden. Wat het biljet persoonlijk ging vertegenwoordigen, was dat niet.

Daar zit voor mij ook de link met merkidentiteit. Je kunt vormen, kleuren, typografie en verhoudingen ontwerpen. Je kunt zorgen dat iets herkenbaar wordt. Maar wat mensen er uiteindelijk aan verbinden, ontstaat pas daarna. In gebruik, ontmoetingen en herinneringen. Een gedeeld beeld kan daardoor collectief herkenbaar zijn en tegelijkertijd voor iedereen iets anders betekenen.

Misschien is dat precies hoe collectief geheugen werkt. We bewaren niet allemaal dezelfde herinnering. We herkennen hetzelfde beeld en vullen het ieder met ons eigen verhaal. Daarom fascineert het me dat ik het biljet zelf maar één keer fysiek in handen heb gehad. Herkenning associëren we vaak met herhaling: iets zo vaak zien dat het vanzelf in je geheugen terechtkomt. Maar soms is één moment genoeg. Niet omdat je iets vaak ziet, maar omdat het moment waarop je het ziet betekenis heeft. Het biljet verdween die dag uit mijn handen en veranderde in een stereo. Het beeld bleef.

En misschien verklaart dat ook waarom ik dit soort dingen fotografeer en erover schrijf. Niet omdat ik voortdurend op zoek ben naar iets wat nog nooit iemand heeft gezien. Vaak interesseert me juist iets wat ik al jaren ken, maar blijkbaar nog niet goed genoeg heb bekeken. Een gevel. Een vorm. Een kleur. Een gebruiksspoor. Of een vuurtoren die achteraf ook op het mooiste bankbiljet uit mijn jeugd blijkt te staan.

Beter kijken betekent niet altijd dat je iets nieuws ontdekt. Soms ontdek je vooral dat twee dingen die je allang kende, al die tijd bij elkaar hoorden. Ik kwam hier als kind met mijn ouders. Nu sta ik er met mijn eigen gezin. De vuurtoren staat nog altijd tussen de duinen. De stereo is verdwenen en met het biljet kun je nergens meer betalen. Maar waarde zit blijkbaar niet alleen in wat iets op dat moment vertegenwoordigt. Soms zit ze in wat eraan blijft hangen.

Het biljet verdween uit omloop. Het beeld niet.

(VAN DING NAAR DOEN)

Wat opvalt, verwondert of schuurt, zegt vaak iets over merken. Over gedrag, ontwerp, keuzes en herkenning. In dit JOURNAAL verzamel ik die observaties. In mijn werk krijgen ze richting, vorm en betekenis.

Eerst zien wat er speelt. Dan doen wat nodig is.

Wat we doen
(IN BEELD)
(MEER NIEUWS)

Bekijk ook dit eens

App Dings